Melkveehouderij en zuivel in Roemenië

Topsectorbenadering noodzakelijk voor hervormingen

De Roemeense  melkveehouderij- en zuivelsector staan op een belangrijke tweesprong. Binnen de Europese Unie, maar ook wereldwijd is de zuivelmarkt sterk in ontwikkeling; Roemenië heeft tot nog toe weinig gedaan om daarop te anticiperen en haar positie daarin veilig te stellen. Een ketenbenadering à la de Topsector Agri & Food zou uitkomst bieden.

Het is vijf voor twaalf. De EU-melkquotering wordt per 1 januari 2015 afgeschaft en de EU-toestemming voor Roemenië om af te wijken van de EU-richtlijn inzake melkkwaliteit loopt al eind dit jaar af. Dit kan betekenen dat veel kleine zuivelverwerkers de poorten moeten sluiten en dat veel kleine melkveehouders hun bedrijfjes moeten staken.

Roemenië is traditioneel (denk aan de communistische periode) een zuivelproducent. De uitgangspositie is op hoofdlijnen positief: kosten van land, voer en arbeid zijn laag en er is volop ruimte om efficiënte bedrijven op te zetten. De Roemeense minister van landbouw, Daniel Constantin, heeft Nederland gevraagd zijn land te assisteren bij de herstructurering van deze sector. Nederland heeft op dit terrein immers een wereldreputatie en in Roemenië enkele goede uitgangsposities om in deze ontwikkeling een essentiële speler te worden. Een benadering zoals die van de Nederlandse Topsector Agri & Food, waarbij de gehele keten in ogenschouw genomen wordt, zou de ontwikkeling van de Nederlands- Roemeense perspectieven optimaal kunnen ondersteunen. De Roemeense overheid zal echter ook op korte termijn in actie moeten komen, om in het kader van het komende plattelandsontwikkelingsplan 2014-2020 een transitie te faciliteren.

Geschiedenis

Roemenië is van oudsher een belangrijk landbouwland; het beschikt over vruchtbare landbouwgronden vooral in de Donauvlakte en in mindere mate op de Transsylvaanse hoogvlakte. Begin vorige eeuw kende de Roemeense landbouw een grote bloei, door goede producties en relatief hoge prijzen. De Roemeense graanboeren maakten de opbouw van Boekarest als ‘het Parijs van het oosten’ mogelijk, inclusief een Arc de Triomphe.

In de communistische periode (1947-1989) is ingezet op grootschalige landbouw inclusief veehouderij. Dit beleid was in de melkveehouderij relatief succesvol, afgezien van sociale problemen en focus op export van producten. Na de omwenteling van 1989 is de grootschalige veehouderij grotendeels verdwenen en het land in vaak kleine stukjes teruggegeven aan de oorspronkelijke eigenaren. Hierdoor zijn er nu erg veel zeer kleine melkveehouders met zeer kleine arealen land, naast de ontwikkeling van enkele grootschalige producenten. De kleine producenten bevinden zich met name in Transsylvanië; de grote melkveehouderijen vooral in de Donauvallei.

Structuur

Door de versnippering van het areaal kent Roemenië absoluut gezien meer houders van melkquota dan alle EU-landen samen. In de Transsylvaanse dorpen wordt het melkvee gezamenlijk geweid op vaak collectieve weidegronden; het melken vindt individueel plaats en de melk wordt afgeleverd bij een centrale melktank in het dorp. De zuivelverwerkers zijn eigenaar van de tank en halen de melk één- à tweemaal per dag op.

Op 1 april 2012 kende Roemenië 702.000 geregistreerde melkveehouders; hiervan waren evenwel 700.000 kleine boeren met minder dan 30 koeien. Van het totaal heeft meer dan 90% slechts 2 à 3 koeien! Gezamenlijk produceert deze groep 85% van de nationale melkproductie. Deze kleine bedrijfjes vertegenwoordigen een belangrijk deel van het electoraat en zijn daarmee dus relevant voor de regering. Daarnaast zijn deze kleine boertjes de basis voor de sociale structuur in de dorpen; valt deze economische activiteit door schaalvergroting weg, dan ontstaan spookdorpen en ontvolkt het platteland.

Naast de extreem kleine bedrijfjes, is er ook een aantal grote efficiënte melkveehouderijen van de grond gekomen. Er zijn ruim 300 bedrijven met meer dan 100 melkkoeien; zij hebben in totaal ongeveer 50.000 koeien. Een aantal van deze grote bedrijven is in handen van Nederlandse boeren. Eind april werd in de regio Brasov de eerste melkrobot in gebruik genomen, geleverd door Lely uit Maassluis.

Ook de verwerking is na de omwenteling uiteraard geprivatiseerd; diverse grote internationale spelers zoals Danone, Hochland, Lactalis en Friesland Campina hebben zich hier gevestigd. Daarnaast zijn er nog circa 170 traditionele kleinere zuivelverwerkers actief. Een karakteristiek van de zuivelmarkt is dat de grootste speler (Danone) een marktaandeel van ongeveer 10% bezit; de tien grootse spelers hebben samen 50% van de markt in handen. Het moge duidelijk zijn dat een verdere consolidatie voor de hand ligt. Dat is waarschijnlijk ook de achtergrond voor de investering van het Amerikaanse bedrijf Sigma- Blayzer in top-tien speler Covalact, waarmee Campina tot de fusie met Friesland een samenwerkingsrelatie had.

‘90% van de boeren heeft2 of 3 koeien; zij produceren 85% van de nationale melkproductie’

Kansen en bedreigingen

Het naderende vervallen van de EU-melkquotering biedt enerzijds ruimte voor expansie van de melkproductie in Roemenië, anderzijds kan de aanvoer van relatief goedkope melk uit andere EU-landen toenemen. Zonder uitvoering van een adequaat beleid ligt een negatief scenario het meest voor de hand. Roemenië kent lage grondprijzen en lage loonkosten (25 % van het Nederlandse peil) en een zeer goede voederbasis (zowel ruw voer als krachtvoer). Kortom, een uitgangspositie waarop je een efficiënte melkveehouderij kunt bouwen.

De huidige Roemeense, kleinschalige melkveehouderij kan evenals de kleinschalige, traditionele verwerking niet voldoen aan de EU-richtlijn inzake melkkwaliteit en -hygiëne. De verkregen toestemming om af te wijken (derogatie) loopt eind dit jaar af. Als hiervoor geen oplossing wordt gevonden, verdwijnt een deel van deze productie en verwerking als gevolg in het grijze circuit. De omschakeling van de kleinschalige veehouderij is niet alleen een technisch, maar vooral ook een sociaal probleem. De kleine boeren zijn gemiddeld 60+ en voor hen zijn de inkomsten uit landbouw hun bestaanszekerheid. Een klein staatspensioen zou een oplossing kunnen zijn, maar de boeren hebben weinig vertrouwen in de staat, op basis van hun ervaring in het verleden.

De vorming van coöperaties zou een andere uitweg zijn, maar ook hier heeft de geschiedenis een negatieve beeldvorming meegebracht. Misschien kan de bestaande collectieve beweiding toch als startpunt dienen voor zo’n samenwerking.

Bron: Landbouwraad / ministerie van economische zaken